Historie
Het begin
Staatsmijn Wilhelmina te Terwinselen, ca. 1920-1923, met de nieuwe r.k. kerk.
De aanleg van een botanische tuin in de Oostelijke Mijnstreek is in de jaren ’30 een grote wens van de Zuid-Limburgse Tuinbouwvereniging. In 1937 doet zich de mogelijkheid voor om in Terwinselen, vlak bij Staatsmijn Wilhelmina, een dergelijke tuin te stichten. Daar was in de jaren ’20 een nieuw parochiecomplex (R.K. Parochie van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria) ten behoeve van de groeiende (mijnbouw-)bevolking ontstaan. Het Kerkbestuur en de pastoor, pastoor J.H. Spierts, staan positief tegenover het idee van de tuin en zij stellen een stuk grond naast de kerk ter beschikking. Het Fonds Sociale Instellingen (FSI), gelieerd aan de Staatsmijnen, blijkt bereid om het tuinproject onder zijn hoede te nemen en daarmee kan de realisatie van start gaan.
FSI. Voorstel Botanische Tuin te Terwinselen, d.d. 15 juli 1938. Bron: RHCL, inv. Nr. 301.
Het FSI was in 1918 opgericht met als doel om het sociale en culturele leven van het personeel van de Staatsmijnen en hun gezinnen te bevorderen. Het fonds stimuleerde allerlei activiteiten die niet tot de kerntaken van de mijnonderneming behoorden, zoals het initiëren van aanvullende werkgelegenheid voor gezinsleden van mijnwerkers en de oprichting van speeltuinen, bibliotheken, muziekkorpsen en dergelijke. Een botanische tuin, hoewel ongewoon, past ook binnen de opdracht van het Fonds. Het doel van de tuin is tweeledig: enerzijds het bieden van ontspanning aan de mijnwerkers en hun gezinnen en anderzijds het overdragen van kennis en informatie over bloemen en planten.
De aanleg
In 1938 geeft het FSI een opdracht aan de bekende tuinarchitect John Bergmans om een ontwerp voor de tuin te maken. Het fonds had, gezien het doel van de tuin, geen betere ontwerper kunnen kiezen: John Bergmans had een grote liefde voor het tuinvak, een uitstekend ontwikkeld esthetisch gevoel en beschikte over een enorme, systematische plantenkennis.
Brief van John Bergmans aan FSI, d.d. 15 augustus 1938.
Bron: RHCL, inv. Nr. 301.
De leiding van de voorbereidende werkzaamheden berust bij het zogenaamde Uitvoerend Comité, onder voorzitterschap van ir. L. Rüland van de Staatsmijn Wilhelmina, in nauwe samenwerking met het bestuur van de Zuid-Limburgse tuinbouwvereniging te Heerlen. Het Comité houdt zijn eerste vergadering op donderdag 4 augustus 1938.
In 1939 wordt begonnen met het plantklaar maken van de tuin. De tuin had in die eerste tijd nog niet de omvang die het vandaag de dag heeft. Het bestond in feite uit twee delen, die verbonden werden door een laantje (de huidige coniferenlaan). Het noordelijke deel (bij het toenmalige regenkledingatelier – ook een project van FSI) werd gereedgemaakt voor de aanplant van een rotstuin, terwijl het zuidelijke deel een landschappelijke aanleg met vijver zou krijgen.
Begroting van kosten, brief Algemene Technische Dienst Gemeente Kerkrade aan FSI, d.d. 6 januari 1939. Bron: RHCL, inv. Nr. 301.
De Limburger, d.d. 26 mei 1939. Bron: Delpher.
De Limburger, d.d. 19 maart 1940. Bron: Delpher.
Het zijn jonge, Kerkraadse werklozen die in het kader van werkverschaffing de tuin in 1939 plantklaar maken. In oktober van dat jaar zijn ze klaar met hun spitwerk en ligt de tuin gereed om aangeplant te worden. Op advies van Bergmans wordt echter met de aanplant gewacht tot het daaropvolgende voorjaar.
Begin 1940 wordt een tuinbaas aangesteld, Jos van Loo. Hij is een ervaren tuinman, afkomstig van kasteel Wylre. Vroeg in het voorjaar wordt begonnen met aanplanten en de rotstuin is al bijna klaar als Duitse soldaten in de nacht van 9 op 10 mei Nederland binnenvallen en de Duitse bezetting een feit wordt. Het Comité besluit hierop alle aanlegwerkzaamheden in de tuin te staken. In plaats daarvan wordt Jos van Loo belast met de aanplant van aardappelen en tuinbouwgewassen op die stukken die plantklaar zijn.
Jos van Loo. Ca. 1950-1960. Bron: Stichting Botanische Tuin Kerkrade.
Voorstel staking der werkzaamheden, 20 mei 1940. Bron: RHCL, inv. Nr. 301.
Uit de verslagen van het comité blijkt dat er gedurende de bezetting waar mogelijk aan de collectie en het onderhoud van de tuin gewerkt wordt. Het FSI blijft jaarlijks een bedrag van 5000 gulden beschikbaar stellen. Met andere botanische tuinen worden planten geruild en er worden plantenetiketten geplaatst. De tuin is niet openbaar toegankelijk, maar bij de ingang hangt een bordje waarop staat dat belangstellenden contact op kunnen nemen met de tuinbaas voor een eventuele bezichtiging. In de herfst van 1943, wanneer de dahlia’s bloeien, gaat de tuin voor het eerst op enkele zondagmiddagen open. Na de bevrijding gaat de tuin helemaal open.
Vanaf 1945
In het decennium na WOII worden door het kerkbestuur van de parochie met enige regelmaat kleine stukjes grond in erfpacht aan het FSI overgedragen, totdat rond 1956 de tuin haar definitieve omvang bereikt. In 1951/1952 wordt het ontvangstgebouwtje (het huidige Theehuis) gebouwd. Met zijn traditionele, vriendelijke bouwstijl voegt het gebouwtje zich harmonieus in de aanleg van de tuin.
Schets Theehuis, d.d. 8 februari 1949. Bron: RHCL, inv. nr. 301.
Ca. 1950-1960. Bron: Gemeentearchief Kerkrade.
Ca. 1965-1970. Bron: Gemeentearchief Kerkrade.
Vanaf het moment dat de tuin haar poorten definitief opent, trekt de tuin jaarlijks zo’n 40.000 bezoekers. Vanaf eind jaren ’50 loopt het bezoekersaantal terug tot zo’n 25.000 per jaar. Als op 17 december 1965 de sluiting van de mijnen wordt aangekondigd zakken de bezoekersaantallen verder in. Jos van Loo gaat met pensioen en het beheer van de tuin gaat achteruit. Het FSI gaat op zoek naar een nieuwe eigenaar; deze zoektocht duurt uiteindelijk zeven jaar.
In 1973 wordt de tuin overgedragen aan de Gemeente Kerkrade. Bovendien wordt in 1974 de Stichting Botanische Tuin Kerkrade opgericht.
Een en ander betekent dat er na jaren van verwaarlozing weer in de tuin wordt geïnvesteerd. Er wordt een nieuwe hortulanus aangesteld, Gijs van Beek. Na zijn pensioen, in 1980, volgt Berend Dijkema hem op. Dijkema is afkomstig van Trompenburg (Rotterdam), een tuin die bekend staat om zijn grote collectie bomen en droogteplanten. Zijn kennis van succulenten leidt ertoe dat in Kerkrade in de jaren ‘80 een kas wordt gebouwd. Aan het eind van de jaren ’80 wordt begonnen met de opbouw van de collectie Madagaskarplanten. Gedurende de periode-Dijkema ontwikkelt de tuin zich verder tot een professionele, actuele en actieve botanische tuin die midden in de Kerkraadse en de Parkstadse gemeenschap staat.
In de jaren ’90 wordt het theehuis vergroot met een leslokaal ten behoeve van Natuur- en Milieueducatie. NME Parkstad wordt in 2018 stopgezet.
